De Reis door Jouw Zelf in Bewust Worden en het Her-Ontdekken en Her-Inneren wie Jij Bent in Essentie
Home » Eigen werk » Verhalen » De Freule van WelEer


De Freule van WelEer


Vaak zat ze bij het raam. Zomaar te kijken of met iets om handen. Nu zat ze daar met een borduurwerk. Af en toe haalde ze de naald door het linnen en werd de afbeelding die ze maakte steekje voor steekje zichtbaarder. Soms keek ze er eens goed naar, soms ontging haar totaal waar de afbeelding ook al weer over ging.

Het raam waar ze door keek lag op het westen en het was de middelste kamer op de hoogste verdieping. Haar lievelingsplek. Ze had uitzicht over de tuinen en de rivier verder op. En heel in de verte zag je een aantal dorpen liggen in het glooiende landschap. Als het heel helder weer was kon je zelfs de glinstering van de golven in de zee zien.

Vandaag was het niet echt helder, maar toch was het fijn om te kijken. Er was zoveel te zien, iedere dag weer. Als het dagen achter elkaar regende, kreeg ze er wel genoeg van, dan keek ze om naar de harp en deze begon dan te spelen. Dan danste zij. Ze danste door alle kamers en alle zalen, van boven naar beneden. De harp speelde overal en zij danste overal. Ze danste dan dwars door de muren, die deden er dan niet toe. Ze was nogal ruim van geest begreep ze ook wel.

Zelf speelde ze ook wel eens op de citer. Het liefst ook bij het raam, maar dan met haar rug tegen de muur naast het raam, zittend op de grond. Het licht van buiten genoeg om de snaren van de citer te zien, hoewel ze ze feilloos kon voelen en de klanken en tonen het kasteel in stuurde. Dat was geen probleem, want er was verder toch niemand. Al jaren niet meer. Ze wist niet meer waar iedereen gebleven was, maar het was wel goed wist ze. Het was gewoon zo.

Zo af en toe daalde ze via de trappen in de toren af naar de verdieping waar de tuinen op aan sloten en van daaruit liep ze naar buiten. Ze wist eigenlijk wel dat ze die trappen niet nodig had, maar toch gebruikte ze ze wel voor dit soort dingen. Dan opende ze ook de grote deuren naar buiten wel eens. Een andere keer ging ze via de opgang naar de keuken naar buiten. En over de keuken gesproken, ze haalde ook wel eens iets uit de tuin en dan ging ze dat in de keuken klaar maken en koken in een grote ketel, dan maakte ze een groot vuur in de ovenkachel en kookte ze. Ze deed dan ook of ze het op at en daar smulde ze van.

Zo af en toe spande ze ook het paard voor de koets en dan trok ze er op uit. Net als in vroeger tijden. Dan reed ze naar het schuilhuisje aan de rand van het uitgestrekte landgoed en daar kleedde ze zich om. Ze liet haar prachtige jurken achter en trok iets aan wat iedere vrouw aan zou kunnen hebben die op doorreis was. Dan liep ze naar het dorp. Daar praatte ze met de mensen, kocht soms wat van ze en soms hielp ze ze, want ze was dan meer bekend als ‘zij die anders is’, zij die dingen deed die een ander niet kon doen. Sommige mensen waren bang voor haar, maar anderen zetten zich daarover heen om gedaan te krijgen wat ze graag wilden en daarna was de angst ook voorbij. Over het algemeen was ze in deze hoedanigheid wel welkom. Nu deed ze dat nog steeds, maar ze merkte dat er iets was veranderd in de houding van de mensen. Ze praatten niet meer zo met haar, keken soms zelfs echt heel angstig als ze dichtbij kwam. Toch mocht ze haar werk wel doen, dat ging eigenlijk veel gemakkelijker dan voorheen. Soms dacht ze het te begrijpen, maar dat idee vervaagde ook weer en ze vond het niet belangrijk. Als ze maar mocht doen wat ze kon doen.

In vroeger tijden kwam hij ook nog wel eens langs. Dan zat ze bij het raam en zag hem al van verre aankomen. Hij wist dat ze hem kon zien en begon tussendoor al te zwaaien. Vaak rende hij het laatste stuk door de kasteeltuinen en zij rende dan naar beneden om hem te verwelkomen. Ze storten zich dan in elkaars armen en wisten dan bijna niet meer hoe blij en gelukkig ze konden zijn om elkaar weer te zien. Altijd was het goed, altijd hadden ze veel plezier. Vaak bleef hij een paar dagen en dan trokken ze er samen op uit. Door de bossen, wadend door de riviertjes om een andere oever te bereiken, zelfs wel eens helemaal lopend naar het strand om de zee te zien. Dan waren ze tijden en tijden weg. Ze sliepen onder de blote hemel. Hij deed dat meestal al, want hij was bijna altijd onderweg. Soms kwamen ze ook iets anders tegen om de nacht door te brengen, plekken waar vaker reizigers een plek zochten om te schuilen voor regen of storm, of waar het veilig overnachten was. Ze hield er van om samen met hem op pad te zijn en van alles te zien waar ze alleen maar van kon dromen als ze bij haar raam zat.

Ja, ze ging zelf dus ook zeker wel op pad, ze had haar eigen wegen wel, maar met hem was het leuker. Omdat dat zo was.

De laatste tijd, misschien wel jaren, kwam hij niet meer. Ze begreep niet dat het zo lang duurde. Ze had beloofd te wachten, zoals hij altijd zei bij het afscheid nemen. Altijd zei hij namelijk weer: ‘Wacht op mij allerliefste, tot de volgende keer, ik kom weer en eens neem ik je voorgoed mee. Dan neem ik je mee naar het kasteel wat ik zelf aan het bouwen ben, dan neem ik je mee naar overal en nergens. Wacht je op mij?’. En dan knikte ze en gaf hem een afscheidszoen en wenste hem weer een goede reis en zwaaide tot de volgende keer. Het was lang geleden. Zo af en toe begon ze te twijfelen. Niet aan haar of zijn liefde, maar meer of zij hem niet moest gaan zoeken. Misschien was er iets gebeurd. Misschien moest ze dat eens gaan onderzoeken. Het kon in ieder geval niet zo zijn, dat als zij een paar dagen weg was en hij zou langs komen, dat hij niet op haar zou wachten. Hij wist hoe hij binnen moest komen in het kasteel. Hij wist waar hij kon slapen, waar hij voedsel kon vinden en als hij toch snel weer verder moest dan liet hij wel merken dat hij was geweest. Nee, ze begreep het niet.

Ze had het wachten ook nooit zo erg gevonden, maar het begon nu toch wel steeds meer te knagen voelde ze wel. Ze merkte ook dat ze er steeds meer mee bezig was. Ze wist ook dat ze beiden vrij van geest waren. Ze zouden nooit van elkaar verwachten om elkaar ergens in vast te houden wat niet waar was. Haar gedachten dwaalden af. Ze probeerde te voelen of hij contact met haar zocht, maar ze voelde niets. Was bij haar soms het licht gedoofd voor hem vroeg ze zich dan ook wel af, maar nee, dat kon gewoon niet zo zijn. Ze kende zichzelf te goed en ze wist dat dat niet zo was. De liefde bleef. Altijd en eeuwig. En ergens diep in haar wist ze dat ook hij dat zou voelen. Er moest wel iets zijn.

Ze legde haar borduurwerk abrupt neer. Ze moest iets doen. En ze besloot op zoek te gaan. Ze raapte een paar reiskledingstukken bij elkaar, waardoor ze een reizigster leek, een mes, een stuk touw, wat vuurstenen en wat kruiden, en nog wat kleine dingen die handig konden zijn en ze ging op pad. Lopend. Ze wist niet waar naar toe, maar ze zou het wel weten, zoals ze altijd had geweten.
Ze liep uren, dagen, weken en veel langer. Ze reisde misschien de wereld rond.

Soms waren er mensen die een dwaallichtje leken te zien, een wazige schim van een vrouw, een mistflard. Ze voelden dan een warmte van een kloppend hart, maar het was niet tastbaar en ze haalden hun schouders op.

En hij, hij keerde op den duur niet meer terug, want hij vond haar niet meer. Al jaren niet. Telkens als hij kwam voelde hij wel wat, maar ze was er niet, hij zag haar niet. Niets wees er op dat ze er nog was. De harp stond midden in de kamer op de derde verdieping, de middelste kamer, zoals deze daar altijd stond zoals hij niet anders wist. Onaangeroerd. Een borduurwerk wat al jaren in de brede vensterbank lag. Onafgemaakt. De contouren zichtbaar van een man en een vrouw voor een kasteel. Al die jaren had hij gevraagd of ze wilde wachten, tot hij zou komen om haar te halen. Al die jaren had ze enthousiast en blij geknikt, al die jaren dat hij had gebouwd en gebouwd aan zijn kasteel om haar te verwelkomen. Al die jaren voor niks. De laatste keer dat hij in haar kasteelwas, voelde hij ook niets meer. Hij had zich voorgenomen om dan maar in zijn hart afscheid te nemen. Voor altijd. Hij ging haar niet meer zoeken, hij kon het niet meer. En hij besefte dat hij haar kwijt was. En hij had spijt. Spijt dat hij haar had laten wachten. Hij besefte wat hij had gedaan en wat hij had verloren. Ook wist hij dat het nooit een afscheid kon zijn, want de liefde bleef. Het was nooit uit te bannen.

Het dwaallichtje bleef eeuwig dwalen, soms was er een wazige schim van een vrouw te zien voor hen die goed konden kijken, en soms was er een mistflard en een warmte, voelbaar voor zij die konden voelen.

En de Freule van WelEer bleef eeuwig zoeken, blootsvoets en met een open hart vol warmte. Tot ze het niet meer wist. Tot ze haar eigen schim werd, een dwaallichtje, soms een mist.

 

ByNature@Petra 14-2-2013