De Reis door Jouw Zelf in Bewust Worden en het Her-Ontdekken en Her-Inneren wie Jij Bent in Essentie
Home » Eigen werk » Verhalen » Snavelstaart
flying-birds-silhouettes-graphics-vector-pack_279-8445.jpg

Snavelstaart en de kloeke bende

 

‘Ongans de verveling gaande in den hemelse oorden van de achterlijke jaargangen….. ‘ las Snavelstaart en daarmee haalde hij zijn snavelklieren eens flink op. Duidelijk of niet duidelijk? Ja en nee. Ja, omdat Snavelstaart goed wist waarom het ging en nee, omdat hij niet wist wat er nog mee te doen. Als je een Snavelstaart bent, dan heb je op zijn minst een kloeke bende nodig om een boekverbranding te doen in de letteren van de geest. En die had Snavelstaart niet. Heel vervelend. Dus las hij maar weer verder in de ‘Verzen der Ongein en andere Taferelen’.


Na een tijdje dwaalden zijn gedachten toch weer af. Ze gingen naar de tijden van het vliegen naar de frisse ochtenddwalingen en nimmer meer weerom. Dat was nog eens wat. Vliegen waarheen je maar wilde en gaan waar de wind naar toe waaide en of er een weerom was maakte niet uit. Je kwam altijd ergens weer uit en dat was altijd goed. Leuk en spannend. Veel plezier en lachen. Snaterige snavels en vertier. Daar had je alleen je vleugels voor nodig en verder niks. Maar om de één of andere reden was de boel vertoeteraliseerd. Alfabetisch gezien niet belangrijk, maar de snavelisten hadden alles in hun greep en in plaats van gefluit vanuit het struikgewas, was er nu meer het zware getoeter met veel bombarie en zwaartedrang vanuit hoge bomen waar geen wind vat op had. Erg onplezierig.


Je zou toch bijna het gevoel hebben in een kooi opgesloten te zitten, zoals enkele verdoederaars wel eens vertelden over agaponiadisten, welke zich lieten vangen om gekooid te worden in binnenslandse vertrekken van benauwdheden. Blijkbaar wisten ze niet beter. Hoewel die vlieger niet op kon gaan, want ze zouden ogen hebben om naar de buitenslandse krakelen te kijken en daar te zien wat er gaande was. Snavelstaart peinsde. En o, vliegensvlugge overpeinzing zag de dramatiek van dit geheel. Angst voor buitenslandse krakelen maakten de agaponiadisten het zich zogenaamd makkelijk in de binnenslandse vertrekken, hoe sneu was dat? Hoe niet kleurenswaardig ook. Ringelingen aan de poten en een tekort aan veren was hun levens weg. De weg van fataliteiten ook. Ongenestelde stervensdrang.


Het vrijvliegersgilde bestond ook al niet meer was de volgende overpeinzing die voorbij kwam vliegen. Snavelstaart staarde het achterna. Ook al uit het nest gevallen gebroedsel. Snavelstaart besloot zijn veren maar eens ver te strekken, want het was al een tijd gelee en in den zelfden verhouding verblijven was ook een gekooidheid waar velen maar niet over heen konden kijken, laat staan vliegen. Het vergde hem niet veel moeite en na het ver strekken bleef het gefladder ook niet uit. Losse veerpennen schoven weer op de juiste plek na een snavelkeuring tijdens het gefladder en daarop zette Snavelstaart zich af.


Vliegend als een waardig luchtkruiziger van oudsher vloog hij vluchtwaarts. Onderweg speurend naar evenwichtige medebelangers der vrije hemel. Af en toe een ratelend zingen van snavel tot staart om te laten weten dat hij er in ieder geval nog was. De rest moest er ook gewoon zijn, maar waarschijnlijk wachtten zij nog ergens op al wist hij niet waarop, want een Snavelgestaarteling moest toch van staart tot snavel opgemerkt hebben dat het de hoogste vliegtijd was der eeuwen. Een twijfel die hem zelf ook bijna wel eens terug floot naar het nest van de bijna gekooidheid, maar hij wist beter immers en vloog al tijden rondes die steeds wijder van omtrek waren. Tot dan toe geen evenwichtige medebelangers te vinden of andere sujetten die de dans van het vrijvliegersgilde waren ontvlogen en met hem op grotere hoogte konden vliegen om de boel te ontrafelen op die hoogte.


Zoveel snavels waren er niet eens nodig om een flink gat te maken in de beperking van de koorden van het vliegertouw. Eenmaal de trossen los zou het makkelijker gaan. In ieder geval zou het gat er zijn en daardoor zou ook weer frisse lucht binnen kunnen komen, zodat er weer geroken kon worden aan een snufje van ochtenddwalingen en ander vliegweder. Maar goed, een Snavelstaart had dit gat niet eerst nodig om te weten dat het er kon zijn en dat het er ooit was geweest en dat het dicht was gemaakt, zogenaamd ter bevordering van het veilig vliegen en om het de controletorens makkelijker te maken voor het eigen gevliegerte, wat overigens ook niet waar was, maar wie snapt dat nou nog?


Het kostte je ook bijna de veren uit je vege lijf om dit te doorgrijpen. Een niet al te bezienswaardige vorm van door leven. Snavelstaart had zijn ogen, veren en poten goed in het vogelvet gehouden om te blijven doorzien, doorvliegen en doorgrijpen in ieder geval.


Op dat ogenblik in de vliegende vaart voelde Snavelstaart andere ogen op hem gericht en hij keerde zich om zich heen in de vogelvlucht. Een snelle fluit, een signaal van goede orde en een fladderbeweging onder zich deed hem duiken in een razendsnelle vleugelsinklaptoestand, waardoor de vaart van richting veranderde en de vlucht snel eindigde richting het signaal. Een plek werd vrij gemaakt zag hij al en zijn bodemverankeraars, alias poten, snelden zich vooruit, zodat een zachte landing plaats kon vinden tussen gemeute waarvan nog niet helder was wat het precies was, maar het fluitend signaal van goede orde was wel duidelijk geweest en genoeg.


Snavelstaart stond met veren in, poten op de grond en snavel gestrekt midden tussen de vreemde vogels van het wilde westen. Na wat gekrakeel en vogelenzang van pluimvederlingen werden de gemoederen stil gehouden, omdat duidelijk was dat ze het over hetzelfde hadden en dus was er de plek voor Snavelstaart tussen de kloeke bende, want ook dat was duidelijk. Snavelstaart merkte in zichzelf op dat dit dus nog steeds kon werken, mits de vlieginstructies, welke nu restricties waren, werden overtreden. Het geval van de wens en de vraag om een kloeke bende had zichzelf overtroffen in manifestatie. Een plezierigheid welke sinds tijden weer eens had plaats gevonden. Het gaf mogelijkheden tot meer manifestaties wist hij ook direct en de kloeke bende beaamde dit. De kloeke bende had zich zelf ook al overtroffen door met een behoorlijk aantal te zijn van diverse vlieganisten, welke de ‘Verzen van Ongein en andere Taferelen’ ook allemaal wel ettelijke malen hadden gelezen. Dat was een mooie toekomstigheid dacht Snavelstaart. Hij bekeek de leden van de kloeke bende stuk voor stuk en hij vond zich zelf waardig om hier deel van uit te maken. Krachtige, vliegensvrije luchtkruizigers en, zo op te merken, evenwichtige medebelangers. Daar had hij wat aan en deze medebelangers hadden dat aan hem. Samen zouden ze beslist het gat kunnen ontrafelen en ontluchten, zodat de frisse wind hem zou kunnen meevoeren en de rest zou kunnen bevrijden als ze dat zouden willen.


De plannen werden in diverse vliegroutes gesmeed en uiteengezet. Het zou snel kunnen gaan, omdat ieder voor zich goed op de hoogte was van de luchtlagen en de controletorens, welke de belemmeringen opleverden. Snavelstaart en de kloeke bende namen ieder voor zich hun eigen taak op zich en gingen aan de slag op het gezamenlijk teken. Ze vlogen in kleine groepen naar de touwen en begon te pulken met hun snavel. De rafels kwamen op gang. Daarna was de volgende groep aan de beurt en ook zij deden hun werk. Toen de eerste touwen knapten was Snavelstaart in de buurt en zag al kleine beetjes frisse lucht binnenkomen. Hij snoof het op en genoot er van. Maar ging daarna weer snel aan het werk om de rest te ontrafelen en te openen.


En toen ontstond er een echt gat. Snavelstaart zag het gebeuren en keek voldaan om zich heen waar hij ook de rest van de kloeke bende voldaan zag kijken, maar ook nog gespannen, want hoe groot zou het gat worden en zouden ze er door kunnen en zou het werkelijk weer zijn zoals ze dachten dat het ook alweer zou kunnen zijn. Het gat werd groter en groter en groter en groter. En de rafelstukken vlogen in het rond en het rafelen ging als vanzelf door en door. Een enorm gat was ontstaan en aangezien het vanzelf verder leek te gaan, was er een deel van de kloeke bende die Snavelstaart aankeek met de vraag om de vliegensvlucht te wagen. En ja, Snavelstaart was er klaar voor.


Hij dook in de stroom van de frisse lucht, samen met enkele leden van de kloeke bende en ze voelden het geluk van de vrijheid. Het geluk van de vrijheid om te zijn waar het zijn kan. Ze zweefden in de vrije ruimte, het levensgeluk tegemoet. Ja, het was er nog. Het was wel anders. Het was een nieuwe vlucht, nog nooit meegemaakt, maar het was meer dan goed.


Snavelstaart keek nog een keer om naar het gat wat alsmaar groter werd. En hij zag vele vogels volgen. Eerst alle vreemde vogels en daarna zag hij ook bange vogeltjes voorzichtig over het randje vliegen. Zelf vloog hij verder en zag vanzelf wel wat er kwam. Zoals het zijn moest. Eindelijk weer in den hemelse oorden en nu voorbij de achterlijke jaargangen, dacht hij nog even en vloog ook dat voorbij.

 


© ByNature@Petra 9-3-2013