De Reis door Jouw Zelf in Bewust Worden en het Her-Ontdekken en Her-Inneren wie Jij Bent in Essentie
Home » Eigen werk » Verhalen » Stokje

Stokje

 

Ach, alle duivelse doosjes nog aan toe! Daar had ze het weer! Soms gebeurde het en dan was het een hele toer om het weer los te krijgen. Muurvast kon het dan zitten. Hoe was het toch mogelijk. Nou, het was mogelijk, dus was het er. Logisch toch?! Ze mopperde in zichzelf.

 

Het ging er nu om het weer los te krijgen en het liefst in zijn geheel, want met afbraak tussendoor was je nog langer bezig. Aandacht erbij was ook een vereiste en al mopperend doorlopen was dus niet een goed plan en natuurlijk wist ze dat, maar zoals altijd moest dat mopperen er eerst even zijn en dan kwam ze weer tot bezinning. Zoals nu.


Ze vond een dikke stronk zonder bosmieren in de buurt of andere plagerijen, want die kon ze er dan nu even niet bij hebben. Ook dat wist ze. Ze keek daarom nog eens goed en ging uiteindelijk zitten met een diepe zucht. Eigenlijk was het niets, maar soms was iets niets heel veel. Zomaar, ineens, dan kwam de hele rare wereld op haar af, dan zag ze alles scherp en helder, gewoon nog duizenden keren scherper en helderder dan normaal, en dan was het eigenlijk gewoon teveel. Dan snakte ze naar een hand, een arm, een schouder. Dan wilde ze haar tranen laten zien en in lange stromen kwijt. Dan wilde ze het liefst als een klein kind zijn, even de troost vinden van en bij een ander.


Maar dat was er nou eenmaal niet, dus plengde ze zomaar even wat tranen en eigenlijk was het dan ook al wel weer snel over. Gewoon de ontlading, gewoon even wat reinigen, gewoon even wat kwijt. Meer was het niet. Een gezonde manier van leven eigenlijk, maar toch zat het haar altijd dwars, net als het stokje. Daarom was het stokje er ook natuurlijk. Om haar dat dwarsgevoel even weer te laten voelen. En om er bij stil te staan, of liever gezegd, te zitten. Om even haar ziel te doen reinigen van alles wat zich al weer aangediend had aan vervelendigheden die ze vaak niet zo beschouwde en er ook wel mee om wist te gaan, maar toch. Ergens bleef het toch kleven. En dan was er dus het dwarsgevoel na zoiets als het vastzittende stokje.


Ach, hoe de natuur ook werkt hè. Na al die jaren kon ze er nog steeds stomverbaasd over zijn en kon ze zich enorm verwonderen over hoe het ging. Prachtig eigenlijk. En daardoor zag ze de mop ook wel weer van het hele verhaal. Ze keek om zich heen en zei hardop: ‘Mallerds, ik laat me nog steeds voor de gek houden door jullie, wat zullen jullie ook een lol hebben zeg, gelukkig kan ik er daarom ook wel weer om lachen. Ook vooral omdat jullie zo geniaal zijn. Ja, jullie ja. Jullie zijn zoveel, niet één ding, maar zoveel geheel. Niet alleen dit dwaze stokje, nee, ook deze stronk, dit paadje, deze bomen hier, de grond, de insecten die er wel zijn en niet zijn, de verdorde bladeren en de nieuwe bladeren in de knop. Het bos, de aarde, het leven. Alles. Jullie’.


Ze sloot haar ogen en voelde met haar tong in haar mond. Ze moest lachen, ondanks en dankzij het stokje. Ze kon zichzelf zien, zoals ze daar zat en het zat nogal zot. Een mens, wat was het, een vrouw, met wilde haren, malle kleren in allerlei lagen en kleuren, een rode kleur van de zon die pas weer aanwezig was en haar flink deed blozen op al het blote vel dat zichtbaar was, zittend op een stronk langs een pad ergens in een groot bos, mopperend en lachend tegelijk, een dwaas als je oppervlakkig zou kijken, misschien wel een heks of iets aanverwant, maar zeker niet een wijze vrouw die zich ook nog eens gedroeg als een kind. Met haar mond half open en een stokje tussen haar tanden geklemd.


Een vreemde aanblik voor velen waarschijnlijk, vond ze zelf ook wel, maar het deed haar des te meer lachen, omdat ze zo goed wist wie ze was, en ze begon toen ook maar aan het stokje te wriemelen. Ooit gebruikte ze tandenborstels, van die plastic dingen voor in je mond, waar je een raar goedje op smeerde en dat moest dan zorgen voor sterke tanden, gezond en schoon. Ach ja, het was jaren geleden, ze wist het nog wel en hoe gek was het dat ze dat gedaan had. Het was zo. Omdat het zo was. Tot ze het anders deed. Het niet meer nodig had en dat ook wist. Omdat ze liever blaadjes kauwde, zomaar dat wat ze tegenkwam. Of bessen, zomaar wat ze tegenkwam. Ze wist wel wat ze tegenkwam en ze wist of het goed voor haar was. Ook als het niet goed voor haar was en ze het toch deed, omdat het dan ook weer goed voor haar was. Om daarom. Er was altijd wel een reden. Als ze maar luisterde. Luisterde naar de stem van de natuur, haar natuur. Dan was het altijd goed.


Daarom was het nu ook goed. Het stokje. Het stokje dwars tussen haar tanden. Ze had er op gekauwd, ze had er mee tussen haar tanden gespeeld, er kleefde teveel aan haar tanden. Tandplak. Plak van energieën die ze af en toe los moest maken, omdat ze niet van haar waren, maar die af en toch mee reisden. Weg ermee! Maar je moet er dan even wat meer aandacht aan geven, even mee spelen. Even vragen wat het was, moet je er iets mee of niet? Mag het zo weg of niet? En behoedzaamheid ja, die behoedzaamheid. Niet zomaar maar even rouwdouwen met een stokje in je mond en tussen je tanden. Aandacht voor het zelf.


Ze zuchtte even. Het gedoe van mens zijn met een lijf. Soms best leuk, maar soms ook niet. Nou ja, aandacht dus. Ogen weer dicht, dan kon ze beter zien. Dan kon ze kijken tussen haar tanden. En toen ze zag wat er kleefde, liet het stokje los en had ze deze weer in haar hand. Nog heel, niet afgebroken. Ze bracht het naar het kleefgebied en poetste daar wat met het stokje. Nog steeds de ogen dicht. Ze zag de beelden van het kleverige en liet deze gaan, deze keer best gemakkelijk. Soms was het een moeilijke en dan duurde het een hele tijd voor ze het voor elkaar had, zowel met het stokje, als het poetsen, als het zien. Maar met de helderheid der jaren ging het beter.


Ach, ze ging vooruit. Steeds weer. Tot er weer een stokje kwam. Een stokje om ergens tussen te gaan zitten en te prikken, een dwarsligger. Een nadenker, een spookje bij klaarlichte dag.


Ze mijmerde nog wat, nog steeds haar ogen dicht, zittend op de stronk.


Het was best. Ze bleef zitten. Het was goed. Dank stokje, dank voor de rust. Dank voor de aandacht. Dank.

 

 


© ByNature@Petra 3-5-2013