De Reis door Jouw Zelf in Bewust Worden en het Her-Ontdekken en Her-Inneren wie Jij Bent in Essentie
Home » Eigen werk » Verhalen » Zijn Herinnering

Zijn herinnering

 

Iedere dag na zijn werk kwam hij weer thuis in zijn huis. Hij kookte zijn eten, waste af en zette koffie. Na de koffie schonk hij zich een glas cognac in en vertrok ermee naar zijn kamer en nam plaats.

Hij ging zitten op zijn oude vertrouwde stoel, krakend en wel, maar daar sloeg hij geen acht op. De houten tafel voor hem was ook oud en zat vol met kringen van gemorste cognacvlekken. Hij zette zijn glas neer en spreidde zijn handen vlak voor zich op de tafel. Zoals iedere avond was dit het ritueel voordat hij begon met kijken.

Hij nam een diepe ademteug en concentreerde zich. Eerst even met zijn ogen dicht, proberen zijn hoofd zo leeg mogelijk te maken en dan deed hij zijn ogen weer open en ging zitten kijken naar het wandkleed op de muur tegenover hem.Hij kon het als geen ander. Focussen en kijken en alles om hem heen laten voor wat het was.

Het viel hem dan ook direct op, dat zijn gedachten afdwaalden. Erg ongebruikelijk, maar hij liet zijn gedachten ook maar gewoon voorbij komen. Ook dat kon hij. Kijken naar zijn gedachten. Dan kwam het wandkleed wel later. Dacht hij, want zijn gedachten dwaalden juist naar het wandkleed en naar de geschiedenis er van.

Het wandkleed was al eeuwen in de familie en verborg een geheim, zoals de overlevering vertelde. Hij had het vijftig jaren geleden al geërfd, zijn grootouders hadden dit besloten en vastgelegd in hun testament. Zijn ouders hadden het toen al voor hem opgehangen in zijn kamer, ook al was hij toen nog klein. Zijn ouders, nu ook al lang overleden, hadden het ouderlijk huis aan hem overgelaten en het wandkleed hing nog altijd op dezelfde plek. Zijn kinderkamer was vroeger al sober geweest en in de loop der jaren was eigenlijk alleen het meubilair wat veranderd, de soberheid was er nog steeds. Alles was nog in de oude staat. De houten vloer, de verder kale wanden, de hoge ramen zonder gordijnen. Alleen geen kinderbed meer en wat houten speelgoedjes, maar een houten tafel en stoel, verder niks.

Het hele huis had hij op laten knappen, deze kamer verder niet. Om het wandkleed. Het had iets magisch, iets onwerkelijks, iets mysterieus. Het was van kinds af aan al een raadsel geweest voor hem, terwijl hij toen nog niet wist van het geheim en ook toen lag hij uren vanuit zijn bed te kijken. Nu nam hij waar vanuit zijn stoel met een tafel voor hem voor zijn gespreide handen en het glas met cognac.

Zijn ouders hadden pas veel later verteld dat het wandkleed een geheim bevatte en dat ook zij niet wisten wat het was. Het leek hen ook niet veel uit te maken. Hem wel. Hij was een dromer van kleins af aan en hij hield van magie en mystiek. Ergens kon je je vinger er niet op leggen, terwijl je wist dat er iets in zat dat je alles kon vertellen. Net zoals de mens zelf. Daar was hij zich ook sterk bewust van. Van zijn eigen magie en mysterie wat hij in zich had. Waar hij vaak wel bij kon, maar bij sommige delen niet, of nog niet. Vaak prachtig om te ervaren, soms ook moeilijk en lastig.

Daardoor wist hij ook dat het wandkleed een deel van hem was, een deel in hem waar hij niet bij kon, want wat hij zag leek hem na al die jaren nog steeds chaos toe. Een enorm wandkleed dat ogenschijnlijk een wirwar was van draadjes en kleuren die eigenlijk een soort soep vormden van iets wat niet echt iets leek op iets wat mooi zou kunnen zijn, maar ook van die gedachte wist hij dat het misschien wel subjectief was, want wat is schoonheid?

In het begin en ook al als kind stelde hij die vraag zo vaak aan zich zelf. Wat is schoonheid? Hij kwam er niet uit, niet met het wandkleed in ieder geval. Eigenlijk vond hij het lelijk, donker en rommelig, hij herkende geen patronen, geen samenhang, niks wat op schoonheid wees zoals hij het bijvoorbeeld wel uit de natuur kende.

Hij hield van de natuur om zijn schoonheid. De perfectie van bloemen, van bladeren. Van de eenheid dat het kon hebben als je werkelijk goed kon kijken, hoewel de eenheid gewoon iets was wat was. Hij wist natuurlijk ook wel dat die eenheid zwaar verstoord werd door de mens en dat de natuur achter uit ging. Toch wist hij altijd weer iets te vinden dat het mooi maakte en hij maakte het mooi. Zijn vingers, zijn handen, waren groener dan groen. Zijn hart voor de natuur vol van liefde en die combinatie was een prettige combinatie, want hij kon daardoor niet alleen genieten van de natuur, hij kon de natuur ook daar ondersteunen waar het nodig was, omdat het die hand even nodig had, omdat het zo was. Hij zou liever toekijken naar hoe alles vanzelf groeide, zoals het van nature kon, maar dat was dus niet aan de orde in de omstandigheden van nu.

Zijn hoofd was ietwat naar beneden gezakt tijdens zijn gedachtendwalingen en nu keek hij weer op naar het wandkleed.

Misschien had hij gedacht dat hij ooit ergens een sprankje schoonheid zou ontdekken in het wandkleed, net zoals in de natuur. Maar na al die jaren van kijken, onderzoeken van elk draadje, had hij nog steeds niets gevonden wat ook maar enigszins bij zijn beleving van schoonheid kon komen. Hij had zelfs getwijfeld of zijn ogen wel goed waren. Of zijn oordeel al dan niet klopte en of het wel een oordeel in zich had. Alles, werkelijk alles was voorbij gekomen, maar niets maar dan ook niets wees op enige vorm van schoonheid. Toch hield hij van het wandkleed, om wat het was. Misschien ook om de schenking en het verhaal van het geheim.

Misschien was dat wel het geheim, dat het gewoon een lelijk wandkleed was waar je toch van kon houden. Er brak een stille glimlach bij hem door en weer hief hij zijn hoofd op dat in gedachten altijd naar beneden zakte en keek naar het wandkleed.

Net op het moment dat hij weer wilde gaan focussen, zijn handen het tafelblad raakten, gebeurde het. Hij zag het met open ogen en knipperde pas toen het achter de rug was.

Het wandkleed bewoog in de linkerhoek, een bevestigingspunt van het kleed aan de muur begaf het. Daarna nog één en nog één. Een domino-effect teweeg brengend. Het kleed kwam losser en losser en uiteindelijk was er niets meer wat het tegenhield om van de wand te vallen. Met een harde knal op de grond.

Naast een behoorlijke luchtverplaatsing, was er ook een enorme stofverplaatsing. Nooit was het kleed van de wand geweest, nooit was het schoongemaakt. Hij besefte zich dit nu pas, in de luttele seconden van het loskomen van het wandkleed van de muur.

Met de plotselinge knal op de grond en daarna de stofverplaatsing, kwam pas zijn actie. Hij knipperde een keer en kneep toen zijn ogen tot spleetjes, hield zijn hand voor zijn mond en neus en stond zo snel op van zijn stoel, dat deze achterover viel. Hij liep bijna blindelings naar de ramen, ontsloot ze en zette ze wagenwijd open.

Toen begon hij eerst te hoesten en buiten het raam naar adem te happen. Daarna kwam de verwondering over het gebeurde. En toen de stofwolken het zicht weer een beetje gaven door neer te dalen en er de mogelijkheid weer was om te ademen, keek hij achterom naar het wandkleed, dat nu languit lag op de vloer. Het lag omgekeerd.

Hij wist niet goed of hij zag wat hij meende te zien. Niet alleen verwondering over het gebeurde overviel hem, maar ook verwondering over wat hij meende te zien dwars door het stof, die een deel van het wandkleed nog bedekt hielden, omdat het behoorlijk vastgekoekt leek te zijn en dan dat deel waar het stof iets liet zien wat nog niet te bevatten viel, maar waardoor hij iets voelde in zichzelf dat onbeschrijflijk was. Een soort van oervreugde leek hij wel te voelen, terwijl hij nog niet eens goed kon zien door alle stof.

Hij liep voorzichtig naar het kleed en knielde er bij neer. Zijn hand gleed over een stuk waar de meeste stof verdwenen was. Hij voelde. Hij voelde de zachtheid dwars door de stof heen en hij streek nog meer stof weg. En hij zag een stukje, een heel klein stukje tevoorschijn komen. Een stukje van iets moois, iets kleurigs, iets van zoveel schoonheid dat hij op dat moment zijn tranen voelde stromen, zowel van blijdschap, ontroering, verbazing, misschien ook wel van de schrik. En daar moest hij dan wel weer om lachen. Zag hem hier nou zitten. Als een kleine jongen met al zijn gedachten en het wandkleed. Het wandkleed dat ineens omgedraaid op de grond lag en wat iets liet zien dat mooi was.

Hij leek wel gek. Jaren naar een kleed kijken, iedere dag weer en iedere dag niets zien dan iets wat je lelijk vond. En dan, omdat het waarschijnlijk van ouderdom en stof zowat vergaat tot de ontdekking komen dat er ook nog een andere kant is. Eigenlijk belachelijk. Het leek wel een Plato in de grot verhaal. Hij schudde meewarig zijn hoofd en stond op. Hij klopte zichzelf zo goed mogelijk af en haalde eerst maar eens een stoffer en blik om de ergste stof weg te halen.

Hij ging aan de slag. Zakken met stof voerde hij af die direct van het kleed af kwamen en wat er zoal in de rest van de kamer was terecht gekomen. Wat een geluk dat hier verder niks stond. Het maakte het ontstoffen wel makkelijker. Het glas met de cognac bracht hij ook maar weg. Niet meer te drinken. In de keuken pakte hij af en toe maar een glas water en ging dan verder met ontstoffen. Na een tijdje vond hij het wel best. De avond was bijna nacht geworden en morgen zou hij verder kijken. Hij liet de vensters open staan voor de frisse lucht en begaf zich naar zijn plek om te slapen.

De volgende ochtend werd hij laat wakker. Te laat. Te laat voor zijn werk in ieder geval. Hij vond het niet erg. Hij vond het zelfs best. Hij belde zijn baas af. Deze was verbaasd, want hij was immers nooit ziek en bleef niet zomaar thuis. Hij gaf ook toe dat het niet zomaar was, hij moest gewoon thuis zijn, kon niet komen. En zo voelde het ook. Hij kon nu niet weg. Hij moest zich gek genoeg bezig houden met het wandkleed. Het wandkleed dat nu omgekeerd op de grond lag en schoon moest worden. Voorzichtig schoon. Hij moest zich bedwingen om niet direct naar de kamer te lopen en verder te gaan met dat werk wat hem te doen stond en om te zien wat er te zien was.

Hij sommeerde zichzelf eerst rustig te ontbijten, koffie te drinken en zich in geschikte kleding te hijsen. Daarna begaf hij zich naar de kamer met het wandkleed.

Zonnestralen dansten naar binnen door de open vensters. De stofdeeltjes in de lucht waren nog goed te zien en hij volgde ze in de zonnestralen die richting het kleed gingen. Hij bleef staan om te kijken. Wat een wonderlijk mooi tafereel. De stralen met de stofdeeltjes en het oplichten van het kleed door de zonnestralen dat zoveel kleuren bevatte, nu al wat beter zichtbaar. Hij stond een hele tijd te kijken met zijn hand op zijn hart. Zo’n mooi schouwspel was het.

Toen besloot hij het wandkleed maar eens goed te inspecteren. Zo te zien was het goed intact gebleven na de val en na al die eeuwen van bestaan. Geen beschadigingen te zien. Daarop begon hij het voorzichtig op te rollen en nam het mee uit de kamer, de tuin in. Hij hing het over een tafel en begon toen heel rustig het kleed stukje bij beetje uit te kloppen. Weer heel veel stof, maar het werk was de moeite waard, want hij wist steeds niet wat hij zag, zo mooi. Grandioos. Af en toe maakte hij een blij sprongetje en dan lachte hij weer hardop en dan weer in zichzelf. En af en toe wilde hij wel alles bij elkaar schreeuwen van blijdschap. Hij hield het meer bij af en toe een woord hardop zoals ‘mirakels’ of ‘donders’ of iets als ‘grote goedheid’ en dan weer ‘ongelooflijk maar waar’ en ‘hoe is het toch mogelijk, na al die jaren’. Dan schudde hij even met zijn hoofd en ging weer verder met het uitkloppen van de stof.

Na dit karwei moest hij nog een stapje verder besefte hij zich. Hij keek om zich heen hoe hij verder moest gaan met het volgende.

Hij besloot vervolgens zelf iets te bouwen van lange takken. Een soort van ouderwets wasrek, maar dan anders. Hij vond het leuk om te doen in ieder geval. Toen het wasrek klaar was, hing hij het kleed er over heen. Alleen dit al was prachtig. Zo buiten in zijn tuin zoiets moois toegevoegd te zien. Het paste hier buiten eigenlijk beter dan binnen. Het sloot meer aan voor zijn gevoel.

Hij begon een paar uur eerder met koken en hij at zijn eten buiten bij het wandkleed, wat nu geen wandkleed meer was, meer een openbaring van kleuren en patronen, zoals je in je mooiste dromen misschien bij benadering eens kon zien. Hij voelde zich een gelukkig mens. Zoveel schoonheid om zich heen. Heerlijk.

De rest van de dag deed hij niets meer. Alleen maar genieten buiten bij het kleed.Toen de avond viel liet hij het kleed op het wasrek hangen. De buitenlucht zou goed doen en morgen zou hij verder gaan. Hij zou zijn baas morgen ook bellen dat hij in ieder geval de hele week thuis zou blijven. Hij voelde dat hij die tijd nodig had.

De volgende ochtend voegde hij de daad bij het woord, belde zijn baas af en maakte daarna zijn ontbijt en ging met het ontbijt naar buiten om zich weer te verwonderen over het kleed dat er nog beter bij hing dan gisteren. De dauw deed ook goed zag hij. De dauw lichtte de kleuren nog meer op en het leek ook wel of de kleuren nog dieper werden dan ze al waren.

Dat bracht hem direct op het nadenken over de klus die hij gisteren al had bedacht. Het kleed moest verder schoon. Het stof was er dan wel af, maar het rook toch nog muf, de stof was diep doorgedrongen in alle kleurige draadjes en patronen. Hij besloot een sopje te maken van lavendelmelk en het kleed heel voorzichtig, weer stukje bij beetje, te wassen en te spoelen.

Hier zou hij zeker de hele dag mee bezig zijn en misschien nog wel een dag. Hij ging het gewoon doen. Al doende keek hij steeds heel goed wat het resultaat was. Tot zijn vreugde zag hij dat het kleed al mooier en mooier werd. Af en toe maakte hij gewoon een sprong van geluk. Af en toe versleet hij zichzelf ook wel voor gek en moest daar dan weer gelijk om lachen.

Hij werkte er bijna twee volle dagen aan en toen was het kleed schoon. Echt goed schoon. En het leek wel of de kleuren ook geuren begonnen af te geven en ja, het was misschien heel vreemd, het leek ook wel of er geluiden uit kwamen. Hij hoorde het toen het eerste stukje met waar hij begonnen was met schoonwassen, een beetje begon te drogen. Hij ging daar even ruiken naar het resultaat toen hij iets hoorde. Hij keek naar het stukje kleed waar hij iets meende te horen en keek nog eens en legde toen zijn oor nog eens beter te luister tegen het kleed. Zijn andere oor sloot hij even af met zijn hand, om echt goed te kunnen horen. En ja warempel, hij rook niet alleen wat, maar hij hoorde ook wat. Hij rook een vleug van iets van planten en hij hoorde vaag geritsel en vogelgeluiden.

Keer op keer liep hij er even bij weg en ging toen weer terug voor dezelfde handelingen, want hij geloofde zichzelf eerst niet. Na een tijdje geloofde hij het wel. Hij hoorde het echt. En hij rook het echt en zag het echt. Het kleed kwam tot leven en hij erbij. En hij begon zich iets vaags te herinneren. Hij kon zijn vinger er nog niet op leggen, maar flarden van herinneringen aan later kwamen binnen. 'Aan later', dacht hij nog, wat vreemd ook, maar dat kan. Waarom zou het niet kunnen dacht hij ook.

Na het schoonmaken bleef dus nu de rust over om het kleed goed te laten drogen in de buitenlucht. Weer ging hij er bij zitten en genoot tot ergens in de nacht van de geuren die vrij kwamen en de zachte geluiden.

Hij zou er bijna naast gaan slapen, maar deed dat toch maar niet. Hij zocht zijn slaapplek weer op om de volgende dag weer naar buiten te stappen en te kijken en te luisteren wat er verder gebeurde met het kleed en hem.

Het kleed droogde en droogde in de heerlijke buitenlucht in de fijne tuin vol met bloemen en zong zachtjes de geuren en kleuren.

De volgende dag was het eerste wat hij deed naar buiten gaan en het kleed bewonderen en luisteren, de geuren opsnuiven en toen zag hij ook de beweging. Het kleed begon rustig te golven toen hij naderbij kwam. Hij kon zijn geluk niet op en danste maar direct een paar rondjes om het kleed en snoof, luisterde en keek naar alles wat voor zijn ogen ontstond. Een werkelijk levend kleed met de prachtigste kleuren, de bewegingen, de geuren, het zachte zingen en toen hij het aanraakte voelde hij dat het zachter was dan voorheen. Prachtig!

En dat hing al die tijd omgekeerd aan de muur!

Ongelooflijk bijna als hij het niet geloofde, omdat hij het meemaakte.

Na al die jaren!

Het geheim had zich onthuld. Hij dacht nog even aan zijn grootouders. Zouden ze dit zelf eigenlijk ook wel geweten hebben? Dat kon bijna niet. Zou iemand het ooit geweten hebben in al die eeuwen? Ook dat kon bijna niet. Zoiets doe je niet zomaar weg als je het geheim weet. Hij kon het zich in ieder geval niet voorstellen, maar goed, het maakte ook niet uit. Hij had het ontdekt en was er zo eindeloos blij mee. En dat kon een ander zich misschien ook niet voorstellen bedacht hij zich. Het was goed.

Hij hing het kleed nu zo dat hij er de hele dag naar kon kijken zonder ook maar een stukje te moeten missen. Zo ging dat nog twee dagen door. De hele dag alleen maar kijken en automatisch de geuren ruiken, het gezang horen en de bewegingen zien. En af en toe streek hij zijn handen over het kleed. Wat een schoonheid.

Na deze dagen bracht hij het weer naar binnen, naar zijn eenvoudige kamer, welke hij eerst ook heel grondig had schoongemaakt en legde het op de grond.

En nu?

Hij voelde dat er meer was.

Voorzichtig ging hij er op liggen en voelde zich totaal opgenomen door alles wat het kleed was. Hij voelde zich omarmd, geliefd, erkend door het kleed leek wel. Ook raar, dacht hij nog toen hij zijn ogen sloot en zich overgaf aan zijn gevoel en beleven. Maar al snel waren er geen gedachten meer. Hij werd bijna zelf het kleed en daar was geen gedachte meer mogelijk.

Een dag, een nacht, nog een dag, nog een nacht, nog een dag en een nacht bleef hij liggen. Hij kwam in een staat van een berusting, een gelukkige berusting dat alles goed was zoals het was. Zoals hij eigenlijk altijd wel beleefde, maar nu met een wonderlijk, intens gelukkig gevoel en vol met schoonheid. Het ultieme zo binnen, zo buiten gevoel.

In die laatste nacht werd het hem helder wat hij wilde doen en wat ook niet anders kon op de één of andere manier.

Dit kleed moest niet hier blijven, niet op deze kale kamer, niet in dit huis, niet in de tuin ook.

Dit kleed had ook het ultieme zo binnen, zo buiten gevoel nodig wist hij ergens. Dan zou het blijven zingen, dan zouden de kleuren blijven, dan zouden de geuren blijven en de bewegingen en de zachtheid. Ja, dat was het. Het kleed moest naar een omgeving waar het helemaal paste en hij dus ook, want hij was het kleed, het kleed was hem en wilden zij levendig blijven, dan was dat de bedoeling.

Hij zei alles op, zijn huis, zijn werk, hij nam weinig mee naast het kleed. Goed opgerold, met stukken touw erom heen en een beschermhoes moest het lukken om de plek te vinden waar het zou passen.

Hij begon met zijn tocht niet zover van huis, maar al snel bleek dat dat nooit zou passen. Alles was een schril kaal contrast met de schoonheid van het kleed. Hij ging verder en verder. Als hij ergens overnachtte rolde hij het kleed uit. Dan voelde hij of het paste en hij genoot van het kleed, dat niets meer aan kleur, geur, zang, zachtheid en beweging verloor. Hij was er dan ook behoorlijk voorzichtig mee.

Zo reisde hij de prachtigste plekken af. Tenminste, in het begin was het nog niet prachtig, maar hij werd steeds beter in mooie plekken vinden. Zijn oog voor schoonheid groeide ook met de dag. Ook door het kleed. Het had in hem ook meer schoonheid laten groeien en deed dat iedere dag weer.

Wat hij niet wist was dat op de plekken waar hij kwam alles ook steeds mooier werd. Als vanzelf. Alsof die plekken werden bevrucht met de schoonheid van het kleed. Zonder dat hij het wist maakte hij dus de wereld mooier en mooier door met het kleed te reizen. Dat wat al mooi was, werd nog mooier.

Het was maar goed dat hij het niet wist, anders zou hij misschien terug gegaan zijn. Dit was voor de wereld ook een mooi geschenk. En soms hoefde je dat niet weten.

Op een dag kwam hij ergens waar hij niet verder kon. Eenvoudigweg om dat er water was. Een zee zelfs. Hij ging zitten op het strand en rolde het kleed uit. Hij zou het zand er wel weer van af kloppen, dat kwam wel goed wist hij nu wel door het samen reizen met het kleed. Hij genoot van het uitzicht van de zee en van het kleed naast hem. Hij vroeg zich niet eens af hoe het verder moest.

Dat hoefde ook niet.

Aangetrokken door de geuren en de kleuren, het zachte zingen, kwam er een oude man het strand op geslenterd. De oude man ging naast hem zitten en ze zaten na een vriendelijke knik een tijdje stilzwijgend naast elkaar. Daarna begon de oude man mee te neuriën met het gezang van het kleed. Hij keek verbaasd naar de oude man en lachte. De oude man lachte ook en begon daarna te spreken in een vreemde taal die hij niet kende en toch verstond hij het. De oude man wees met zijn arm naar de zee en het kleed en naar hem. Hij duidde een plek, de juiste plek. De oude man vroeg hem met hem mee te komen en hij rolde het kleed op en ging mee met de oude man.

De oude man bracht hem naar een dorpje met een haventje. Daar sprak de oude man met een aantal mensen en daarop begonnen die mensen vriendelijk te lachen en gebaarden naar hem en het kleed. Een wees welkom. Ze gebaarden ook dat ze een boot wisten die hem en het kleed wilden brengen naar waar hij naar toe moest. Hij begreep het goed. En hij werd weer zo blij en de mensen werden blij van hem. Hij liet hen het kleed zien en ze begonnen allemaal ja te knikken met grote brede glimlachen.

De man van de boot kwam op dat moment aangelopen en ook hij begon te glimlachen en knikte vriendelijk naar hem en het kleed. Hij werd uitgenodigd op de boot en voordat hij daar op stapte nam hij hartelijk afscheid van de oude man en de andere vriendelijke mensen. Deze mensen kenden het kleed en wisten waar het naar toe moest en hielpen hem er ook nog mee. Hoe mooi kon het zijn. Heel mooi. Hoe vreemd het misschien ook wel was. Het was zo.

Het bootje voer een paar dagen over de zee, hij was alle gevoel van tijd kwijt en dat maakte ook helemaal niet uit. De man van de boot was aardig en op hun manier hadden ze bijzondere gesprekken. Het kleed lag al die tijd uitgerold op het dek en deed wat het altijd deed. Het leek wel of zelfs de vissen het voelden, want die zwommen in grote getale mee met de boot.

Toen kwam er weer land in zicht, een piepklein haventje en heel veel groen op de achtergrond. De geuren van het land kwamen op hem af en hij herkende ze. De kleuren die hij zag toen ze dichterbij kwamen herkende hij ook. En het gezang, het gezang, hij herkende het ook. De bewegingen zelfs!

Hij keek de man van de boot heel verwonderd aan en de man lachte om hem. Deze sloeg hem vervolgens vriendschappelijk op de schouders en omhelsde hem zelfs. Daarom herkenden de vriendelijke mensen het kleed! Ze herkenden de omgeving! Precies zo en niet anders. Het bestond gewoon! Hij wist weinig te zeggen, maar zijn gezicht straalde als nooit daarvoor. De man van de boot kreeg daardoor het mooiste geschenk ooit. Iemand die zo gelukkig was te zien, was zeldzaam en hij genoot met volle teugen mee.

Eenmaal aangemeerd namen de man van de boot en hij afscheid. Het kleed en de weinige spullen gingen mee aan land en bij de eerste voet op dit land ging er iets door het kleed heen, een soort van huivering voelde hij, maar dan van plezier.

Hij was dit allemaal gaan doen, omdat hij het zo voelde, maar dat dit zou gebeuren had hij nooit gedacht.

Hij begon het land wat te verkennen en kwam al snel in een dorpje, waar een aantal mensen rond liepen. Deze mensen bleven onmiddellijk stil staan toen ze hem en het kleed zagen en begonnen ook direct vriendelijk te lachen en kwamen op hem af. Ze begroetten hem alsof hij een oude bekende was en ze nodigden hem mee naar een gebouwtje waar hij onmiddellijk het kleed uitrolde op de vloer.

De mensen werden eerst stil, heel stil en daarna gingen ze om het kleed heen zitten en voelden er voorzichtig aan. En het was alsof alles in elkaar begon over te lopen, de mensen, het kleed, hij, de omgeving, alles. De eenheid was compleet. De reis was voltooid. En iedereen wist dat op dat moment, ook het kleed. En alsof het blijdschap kon vertonen, het leek zowaar of het lachte. En iedereen lachte mee.

En hij, hij herinnerde zich. Hij herinnerde zich de toekomst. Hij zat er midden in. En hij lachte een verwonderde en tevreden lach en liet zich verder opnemen door de eenheid.

Voor altijd en eeuwig.





© ByNature@Petra 28-6-2013