De Reis door Jouw Zelf in Bewust Worden en het Her-Ontdekken en Her-Inneren wie Jij Bent in Essentie
Home » De man in de grot

De man in de grot

Bij Je Zelf, bij Je Zelf.

 

Het was zijn dagelijks mantra, maar hij hoorde het niet. Het was een lege echo. Hij liep in rondjes door zijn grot. Ging zitten en stond weer op. Liep heen en weer. En dan weer de rondjes, zitten en opstaan. Hij kon niet vinden waar hij naar zocht.

Bij Je Zelf, bij Je Zelf, riep de mantra.

Maar zijn gedachten waren ergens anders. Zijn geest brak zowat in twee van al het denken.

Iedere dag liep hij vanuit zijn grot naar beneden over het steile pad naar het meer. Hij baadde zich in het meer zonder op het water te letten. Hij nam het wel waar en vond het ook wel prettig, maar was zich geheel niet bewust van wat het water hem wilde zeggen.

Telkens wilde het water hem zuiveren, maar hij liet zich telkens slechts afspoelen. Het water fluisterde hem in zijn oor, het riep soms heel hard, maar hij hoorde het niet.
Dan ging hij voedsel zoeken. Bessen, noten, zijn omgeving was rijk voorzien. Hij at al zoekende en nam wat mee voor later op de dag. Hij genoot van het voedsel en was zeker ook dankbaar. Maar hij voelde niet wat het wilde zeggen. Hij voelde niet dat alle goddelijke vruchten hem iets schonken, het schenken van het vrouwelijke, organische, de bronkracht van het bestaan.

Hij dacht van zichzelf dat hij de man was. De wijze man die zijn volk toesprak. Dat was ook zo. Dat deed hij ook. Hij dacht zoveel en zoveel om eens om de 3 nachten een volle dag zijn toehoorders toe te spreken. Om de 3 nachten liepen de dorpelingen uit, richting de berg waarboven de grot was, en installeerden zich aan de voet van de berg. Dan daalde hij af tot halverwege en sprak en sprak en sprak.

Zijn wijze woorden ontstaan vanuit zijn rondjes in de grot, het heen en weer lopen, het zitten en weer opstaan. Hij was er goed in geworden. En zijn luistervolk hing aan zijn lippen. Als hij na een volle dag praten en praten uitgeput de dorpelingen uitzwaaide, na hen bedankt te hebben voor hun komst, en weer vermoeid terug liep naar zijn grot, voelde hij zich ergens wel voldaan, maar ook knaagde er iets aan hem wat hij maar niet te pakken kreeg en hij het schoof het bruusk aan de kant. Hij wilde het niet weten ook.

Hij ging dan liggen en sloot zijn ogen, maar slapen deed hij niet. Zijn geest ging maar door en door. Na een tijdje fysiek bijkomen, maakte hij dan zijn vuur. Warmde zich. Soms een enkel moment zakte hij weg en liet bijna zijn geest los. Al snel merkte hij dat op en pakte het weer terug. En het vuur siste hem toe in warme klanken Bij Je Zelf, Bij Je Zelf, maar hij kon eenvoudigweg niet luisteren. Zijn geest stond het niet toe. Het was zijn alles, dacht hij.

Zelfs als hij fysiek ging slapen, voor zeer korte tijd, was zijn geest nog actief. Het was een gewoonte geworden. Een gewoonte waar hij jaren op had geoefend. Het trainen van zijn geest. Om te spreken, om dat te zeggen wat hij zeggen moest. Zijn volk. Ze waren belangrijk. En hij deed zijn best. Iedere dag weer om hen tot dienst te zijn. Jaar in, jaar uit.

De dorpelingen luisterden jaar na jaar en het vertellen van de man in de grot deed zijn werk. De mannen gingen denken. Ze gingen zo denken als hij. Ze begonnen met elkaar te praten over het denken en ze dachten al maar door. Uiteindelijk trokken ze naar andere dorpen om het denken over te brengen. De vrouwen van de mannen bleven achter. Ze zorgden voor de kinderen, ze zorgden voor elkaar. Trots op hun mannen die het woord verspreidden.

Tot dat de oogsten mislukten, de honger in het dorp kwam, de daken van de huizen begonnen te lekken, het dorp ineen begon te storten. De vrouwen deden wat ze konden om elkaar te helpen. En het ging soms nog wel een beetje, maar ze raakten moe en gedesoriënteerd. De kinderen kregen snauwen, de honger stond niet stil. En de vrouwen begonnen te denken.

De kinderen werden onhebbelijk en vervelend, de vrouwen waren zichzelf niet meer. De harten op slot, geen liefde meer.

De man in de grot dacht dat hij zijn werk goed gedaan had, toen er bijna geen dorpelingen meer kwamen en was trots op zichzelf. Iedere dag dat hij vanuit zijn grot afdaalde naar het meer voelde hij meer genoegdoening. Maar zijn denken gingen maar door. Al had hij weinig toehoorders, het deed er niet toe.

Op een dag had hij nog maar één toeschouwer, een vrouw die naar hem kwam luisteren. Om de 3 dagen zat zij daar. Ze nam telkens plaats op een steen. En hij vertelde en vertelde. En zij fluisterde telkens tijdens zijn verhaal de mantra Bij Je Zelf, Bij Je Zelf. Hij hoorde haar niet. Hij zag ook niet dat zij een vrouw was, een mens, ze was voor hem een toehoorster, meer niet, een dorpeling.

De dag na zijn laatste toespraak zat ze plotseling naast het steile pad waar hij op liep om naar het meer te gaan om zich te wassen. Ze zat te fluisteren. Bij Je Zelf, Bij Je Zelf. Hij hoorde het niet. Liep voorbij. Tot hij plotsklaps stopte en omkeek. Wat was dat nou? Zat daar iemand? Zat daar zo maar een dorpeling op zijn pad? Het was niet eens de dag van spreken! Het irriteerde hem. Zag die dorpeling dan niet dat hij moest denken en niet gestoord mocht worden?!

Hij liep naar de dorpeling, de vrouw, en wilde naar haar schreeuwen. Maar zijn stem stokte. Hij kon geen geluid uitbrengen en raakte even in verwarring. Dan zou hij deze dorpeling wel met zijn gebaren manen weg te gaan. Hij wilde zich bewegen, maar kon het niet. Hij voelde de woede omhoog komen, door de weigering van zijn lijf en stem. En hij keek haar woedend aan. Als blikken konden doden, dan was zij bezweken. Maar zij bezweek niet. Ze richtte haar ogen op zijn ogen en fluisterde Bij Je Zelf, Bij Je Zelf.

Zijn woede was enorm, maar ze bleef kijken en kijken en hield zijn woede op afstand, want ze had zoveel gezien in het dorp, in de wereld, dat niets haar meer kon afhouden van het terug kijken en de fluistering.

Haar blik was zo standvastig, dat zijn woede begon te golven. Eerst door de verbijstering van het feit dat de woede haar niet scheen te raken en dat ze weigerde om niet te buigen voor zijn blik. Dan werd hij nog weer woedender, om dat feit en omdat hij verder niets kon doen, dan alleen kijken en zijn woede op haar afvuren. Toen kwam de verwondering om de tegenwerking en dan zakte zijn woede wat, tot het weer helemaal losbarstte en hij weer verder ging. Zij ogen schoten vuur. Wat dacht zij wel! En zijn lichaam bleef staan, geen beweging in te krijgen en zijn stem kon geen woord uit zijn keel krijgen.

Daar stond hij dan en zij zat op die steen. Hij vol woede, zij kalm en rustig, maar onvermurwbaar. Onbreekbaar, want ze was al gebroken geweest. Haar ademhaling bracht de fluister Bij Je Zelf, Bij Je Zelf. Het duurde en het duurde. Zijn golven werden minder. En hij begon te horen. Wat zei ze nou eigenlijk? En dan weer de woede om het net niet kunnen horen. Hij wilde wel weer schreeuwen van wat zeg je nou toch mens, je spreekt te zacht! Maar ook dat ging niet. Uiteindelijk begon hij zich in te spannen om te horen wat ze fluisterde. Hij wilde zijn oren wel uitpeuteren, maar zijn armen en handen weigerden dienst, dus spitste hij zich nog meer op de fluister van haar woorden.

Zijn lichaam werd iets meer ontspannen, zijn woede zakte steeds meer en meer weg. Toen begon hij de woorden te herkennen en begon te horen wat ze zei. Bij Je Zelf, Bij Je Zelf hoorde hij. Hij dacht na over de woorden, of hij het goed had gehoord en luisterde tot hij zeker wist dat ze dat zei. En daar was zijn woede weer. Hij wilde roepen: ‘Ga toch weg mens , je verveelt me!’. Natuurlijk ging ook dat niet. Tot vervelends aan toe luisterde hij naar haar gefluisterde woorden en hij werd moe. Hij werd zo moe, zo moe, dat zijn lichaam hem losliet en het op de grond deed belanden. Niet hard, gewoon een zacht inzakken, de aarde ving hem op.

De vrouw fluisterde door, zittend op haar steen. Hij hoorde de woorden. En hij was moe. Hij legde zijn hoofd neer op de aarde en kreeg toen bijna weer een woede aanval. Wat was dat?! Ook de aarde fluisterde! Bij Je Zelf, Bij Je Zelf. Dat kon toch niet, hij raakte nu verward. Maar begon ook scherper te luisteren. En hij hoorde nog meer. Overal was de fluistering Bij Je Zelf, Bij Je Zelf te horen. Hij wilde zich afsluiten, wilde het niet horen, maar hij kon niets anders dan liggen op de grond en luisteren en zijn vermoeidheid voelen. En langzaam kwam de overgave. Langzaam kwam de rust. Hij viel in slaap op het wiegen van de fluister.

Ze stond rustig op en dekte hem toe met haar omslagdoek. Later maakte ze een zacht vuur en plukte wat vruchten, voor haar zelf en voor hem. Hij sliep vele uren en toen hij wakker werd hoorde hij de fluister, hij nam het voedsel aan wat ze hem bracht en sliep weer in.

Ze had geen idee hoe lang de dagen en de nachten duurden, maar ze waakte bij de man uit de grot, omdat dat haar taak was voor nu. Ze was zelf ook al wel moe van alles wat ze had gezien, maar het was nog niet klaar en daarom hield ze vol.

Toen hij dan ook echt ontwaakte begon zij te vertellen. Over het dorp en de dorpelingen en hoe alles was gegaan. Hij kon het nauwelijks bevatten en toen hij zover was dat hij dichter bij zichzelf was gekomen, nam ze hem mee naar de rand van het dorp en liet hem de chaos zien. Zijn kijken was vertroebeld, net zoals zijn luister. Zijn ogen konden niet geheel open, maar ergens voelde hij wat zij bedoelde.

En ze gaf hem de opdracht. Haal de mannen terug. Word Jij Je Zelf en haal de mannen terug van deze vrouwen. Het is nodig. Heel erg nodig.

En hij ging. Direct naar het dorp, waar hij de vrouwen ging helpen. Niet zijn opdracht, maar hij kon niet anders. De vrouwen lonkten bovendien.

Zij zag het op afstand gebeuren en keerde zich om. Hij zou het zich wel weer herinneren. De fluister. Want ze bleef bezig met de fluister. Ook voor haar zelf, want ook zij moest andere krachten gebruiken dan ze gewoon was, om nog iets voor elkaar te krijgen.

Af en toe ving ze wat op uit het dorp aan wat er zoal gebeurde. Hij had de vrouwen wel geholpen, maar hij had ze ook kwaad gemaakt. En ze joegen hem het dorp uit om hun mannen terug te brengen. En hij ging.

In ieder dorp was het bijna hetzelfde tot hij de mannen tegen kwam. En zichzelf. Hij was verbijsterd, verwonderd, ontwaakt. Hij herinnerde zich de fluister. En zijn opdracht.

En hij begon. Bij zichzelf en toen met de mannen in gesprek. Het duurde en het duurde en de mannen begonnen te begrijpen. Hoe zij zich zelf weggegeven hadden, aan de geest die alleen maar denken kon. Niet de ware geest van spirit en leven. Ze herinnerden zich. En één voor één togen ze huiswaarts. Geen warm welkom in het begin, maar later ging het best en daarna beter en heel goed. Het gezonde leven nam weer een aanvang. Het dorp werd weer een leefbaar dorp. En het ene na het andere dorp begon weer glans te krijgen door het leven wat er geleefd werd. Er werd gelachen en gedeeld. Ze wisten weer wie ze waren. De oogsten brachten veel op en er was genoeg voor iedereen.

En hij? Hij keerde terug naar zijn grot. Hij bleef zich afvragen hoe het allemaal zo gelopen was en hoe dat allemaal kon. Toen hij voor het eerst weer het steile pad afliep naar het meer om zich te wassen, zag hij de steen. De steen waar de ommekeer plaats vond, door het gefluister. Waar zij had gezeten. De vrouw met de ogen die terug keken en de fluister. Hij hoorde ook nu de fluister. De fluister van de grond en het meer, de fluister van de vruchten en de bomen, de bladeren en de takken, het geritsel van allerlei dieren, het gefluister van alles wat leefde.

Hij stapte in het water en liet zich zuiveren. En hij sloot zijn ogen, waardoor de tranen zich met het water in het meer vermengden en nog meer zuiverden. En met de tranen voelde hij zijn hart. Zijn hart dat groter leek te groeien, bijna open scheurde en waar de liefde, een liefde die hij nog nooit had gekend, uit begon te stromen. Hij begon te lachen met alle tranen. En de liefde werd een stroom, een stroom die niet meer te stoppen was en vanuit het water naar de oever gloeide. Over het land stroomde en alles omtoverde in een prachtige, rijke, overvloedige weldaad voor mens en dier.

Zij, bezig met haar dagelijkse werkzaamheden, keek op en zag de gloed van liefde zich verspreiden. Ze voelde die liefde en werd blij. Hij had het gered. Hij had het gedaan. Ze ging zitten en ook zij liet haar tranen stromen, eindeloos leek wel, van blijdschap en liefde en opluchting en nog zoveel meer. Het was goed. Ook zij had gedaan wat ze moest doen, het was volbracht. Nu mocht zij gaan rusten. En ze sliep de langste slaap die een mens maar kon hebben.

Gewiegd in haar eigen fluister vond ook zij haar zelf weer terug. En toen ze ontwaakte stroomde ook haar liefde weer en vulde de lucht en de wolken, de zon en de maan, de sterren in het heelal.

En zo kwam alles weer tezamen zoals het ooit bedoeld was.



© ByNature@Petra 29-9-2013