De Reis door Jouw Zelf in Bewust Worden en het Her-Ontdekken en Her-Inneren wie Jij Bent in Essentie
Home » Gekkenhuis

Het Gekkenhuis

 

In het, zo op het oog prachtige en vriendelijke, middelgrote dorpje midden in de natuur staat een gekkenhuis. In dat gekkenhuis worden gekken opgesloten gehouden. Ze worden ook wel patiënten genoemd. Gevaar voor de bevolking schijnt op hun voorhoofd te staan.

Maar wat doen die gekken dan eigenlijk vroeg ik mij af en ik keek ze eens heel goed in de ogen.

Hun ogen ontmoetten de mijne, hun verwarde blik verwarde mij niet.

Sterker nog, ik zag wat zij zagen.

Hun gave van zien, van opmerken, van de intuïtie die over waarheid en onwaarheid sprak, zomaar te lezen in die ogen, als je een beetje op kon letten tenminste. Zo gek leek mij dat eigenlijk niet.

Zelfs dwars door alle medicijnen waren deze mensen nog niet eens zo gek. Nog altijd konden zij, als ze tenminste een beetje de gelegenheid kregen, op het juiste moment daar zijn waar er iets op te merken viel dat nou niet van een bepaalde zuiverheid sprak.

Als de zogenaamde psycholoog zijn fles drank uit zijn bureaulade haalde en even later brallend de telefoon greep om zijn vriendjes een vriendelijk, doch wel dringend verzoek ging doen om de medicijnkasten weer aan te vullen, want met drank alleen was het lastig grip te houden op de situatie met de ‘patiënten’. Dat laatste zei hij overigens niet, maar de ‘verwarde patiënt’, voor gek verklaard, luisterde door zijn woorden heen. Natuurlijk kregen de patiënten zelf ook hun portie medicijnen, maar dat waren hele andere medicijnen, meer slaapmiddelen en middelen waar je gek van zou kunnen worden.

Als zo’n gekke patiënt dan voor zo’n kantoortje stond en het beeld van de bureaulade zag en de woorden aan de telefoon, en met die verwarde blik slechts keek naar het scenario, dan werd de psycholoog razend. Dan drukte hij op knoppen en dan kwamen verplegers, of bewaarders, hoe je het wilt noemen, en namen de patiënt mee. Met of zonder tegenstribbelingen, aardig of onaardig, soms gekneveld, soms vastgebonden naar de kamer waar de patiënt zou moeten verblijven.

Een vorm van terug in je hok en blijf daar vooral. De verpleging vond het meer een geval van voor de eigen veiligheid terug brengen waar iemand hoort, dat hadden ze immers zo geleerd gekregen op de theorie academie van onmenselijkheid, opleidingen genaamd of genoemd.

Natuurlijk kon een patiënt ook niet eens vertellen wat er gaande was en zo wel, wie zou hem dan nog geloven? De patiënt was gek, de psycholoog niet. Zo gaat dat immers met gekken. Simpel zat.

Zo waren er nog wel eens van die gevalletjes waar patiënten ooggetuige van waren daar in dat gekkenhuis. Een verpleger die zo her en der eens wat weg nam, want van gekken stelen was immers niet erg en ze konden toch niets bewijzen. Een Bouquetreeks stelletje, dokter en verpleegster natuurlijk, die werden betrapt in een kantoortje op een wel vreemde wijze van samenwerken gezien hun beroep. Of misschien ook juist niet.

Papieren die werden gekopieerd en waarbij delen werden ontvreemd of juist toegevoegd, zoals het uit kwam. Grote en kleine geldverschuivingen. De dealtjes tussen allerlei mensen die vanzelfsprekend leken te zijn en waar vele andere ogen toegeknepen werden. Van ontroerend goed tot roerende goederen.

Niet dat de patiënten precies van deze zaken afwisten, maar ze hadden nog altijd dat aparte gevoel in zichzelf te volgen door net even langs te lopen als er weer iets bekokstoofd werd en door dan even doordringend, o nee zeg maar verward, te kijken, waarop ze steevast weer opgesloten werden op hun kamer.

Kamers wel of niet gedeeld met andere gekken weliswaar. Van ophokken weten ze wel in een gekkenhuis, zoals ook van andere bewaarhuizen gezegd kan worden, ze zijn er voor van allerlei groepen en soorten en maten. Als de patiënten er maar opgeborgen werden in ieder geval en niet dat laten konden zien wat ze zagen, zeggen of er iets mee doen.

Daarmee dacht de gegoede bevolking, waar overigens niet alleen de psycholoog toe behoorde, maar ook de advocaat, de bankdirecteur, de notaris, de zogenaamde burgervader en zijn kornuiten, en andere zogenaamde notabelen, dat ze van de gekken af waren. Door ze op te hokken.

Gek genoeg moesten ze alle zeilen bijzetten om niet de ogen van de patiënten te voelen prikken, elke dag weer. Het was een zware opgave eigenlijk, het viel niet mee. De onderlinge feestjes en drinkgelagen vielen soms een beetje in het water, want met drank en pillen op viel er wel eens iemand uit zijn rol en dan was er weer heel wat bij te spijkeren en weg te moffelen.

Maar goed, ze hadden het er allemaal voor over, want ze beschermden toch maar die gewone burgerbevolking tegen de gekken. Bovendien was er de extra taak. Ze moesten er voor zorgen dat de gewone bevolking ook geld in het laatje bracht, want feestjes en andere buitensporige luxigheden waren duur tegenwoordig. Af en toe werden dan ook wat stroopsmeerders en hielenlikkers overdadig uitgenodigd voor heel wat excessieve feestjes of andere feestelijke uitjes en deze leuke marionetten werden dan weer naar de bevolking gestuurd met allerlei geinige ideetjes om ze geld af te troggelen.

Je kon op zo’n feestje dan natuurlijk niet hebben dat er woorden vielen die één en ander aan het licht zouden brengen wat niet voor de gewone bevolking bestemd was. Maar al doende leert men en het gegoede notabelenvolk en aanverwanten leerden met de dag beter allerlei kunstjes, zoals de firma list en bedrog ze nooit had kunnen nadoen. De burgerbevolking deed braaf mee en de gekken in het gekkenhuis werden met steeds betere medicijnen gedrogeerd, zodat ze nog verwarder werden. Mooi geregeld dus.

De psychiater wreef zich steeds harder in zijn handen en pakte steeds vaker de drankfles uit het laatje en steeds meer papieren werden vervalst en zo nog meer van die ongein. Hij en zijn vrienden hadden het goed voor elkaar. Ze dachten goed te gaan.

De burger bevolking in het dorpje van het gekkenhuis deed ook steeds meer zijn best om stroop te smeren en hielen te likken, ze hadden een goed voorbeeld aan de gegoede notabelen en aanverwanten. Het was alleen wel eens vervelend dat als ze moe waren er geen excuses waren, zoals ze wel zagen bij de heerschappij, pardon de gegoede notabelen en aanverwanten. Hoewel heerschappij wel een makkelijker woord is om te gebruiken, daar is iedereen van dit soort kaliber onder te vangen, dus gebruik ik dat woord nu maar verder in dit geschrevene.

Maar ach, die burger bevolking, ze deed wel een oogje toe uiteraard. Ze wilden niet lastig worden, dat geeft ook geen pas en vooral geen portemonnee en alle toffe voordelen ook niet, dus gewoon doorgaan met waar je mee bezig bent en verder niet zeuren.

Het was alleen zo dat niemand rekening hield met de wet van aantrekkingskracht in nog een andere zin. Een behoorlijke misrekening zou later blijken, al duurde dat even.

Waar gekken wonen, worden ook gekken naar toe getrokken. Net zoiets als waar stroopsmeerders en hielenlikkers wonen daar ook medesmeerders en likkers naar toe getrokken worden. Een vreemde zaak niet waar? Toch was het zo.

Toen het gekkenhuis al lang uitpuilde, burger bevolking om onduidelijke redenen wegtrok uit het zo lieflijke dorpje en de leegstand van de huizen zo nu en dan opgevuld werd door passanten, leek er iets te veranderen.

De passanten vroegen zich wel eens af waarom ze juist dit dorp aandeden. Ja ok, de natuur die lonkte, de ogenschijnlijke rust was wat je in eerste instantie aan zou trekken, of niet?

Passanten hebben doorgaans vrij weinig contacten met de burgerbevolking, dat wilde de burger bevolking nou eenmaal zo. Alles wat vreemd was, moest je geen aandacht aan besteden. De passanten hadden dus wel zo hun vragen, maar stelden ze niet, dat had niet zoveel zin. Passanten kwamen er zelf wel achter. Passanten die dan even net iets langer bleven om de sfeer eens goed te proeven. Daar waren passanten namelijk goed in. Dat leerde ik van hen. Door naar ze te luisteren en door in hun ogen te kijken. Een diepe blik, soms verward leek wel, soms sterk lijkend op de blik van de gekken. Maar ik begreep ze. Ik zag wat zij zagen en keek mee. En er kwamen antwoorden op vragen. Vanzelf.

De passanten keken en keken en zagen en zagen. Soms zeiden ze wat. Zomaar. Tegen iemand van de burgerbevolking. Natuurlijk werden deze passanten ook voor gek verklaard, want alles en iedereen die niet zo was zoals de heerschappij en zijn volgelingen waren dat gewoon. Simpel zat.

Helaas lukte het vaak niet om deze passanten ook in het gekkenhuis te krijgen. Ze gebruikten geen medicijnen en je kreeg ze er ook niet aan. Natuurlijk werden daar wel andere oplossingen voor bedacht, maar op de één of andere manier bleven de passanten anders en werden gewoon niet echt gek. Heel vervelend.

De heerschappij had er nog een taak bij.

Stroop smeren, hielen likken, wegmoffelen, ophokken en drogeren en toen ook nog monden snoeren, ogen blind maken en zo nog wat ongein. Ze waren er druk mee. Intussen maakten ze steeds betere regels en wetten voor de burgerbevolking, omwille van de veiligheid, want er mocht maar iets misgaan immers. Dat konden ze niet op hun zogenaamde geweten hebben. Het was een drukte van belang voor de heerschappij.

Sommige kransslagaders knapten, er werd gedotterd bij het leven. Zowel bij de burgerbevolking als bij de heerschappij. Allerlei vreemde ziektes deden hun intrede en hier en daar werd steeds meer opgehokt. Het deed er ook niet meer toe wie waar werd opgehokt, als er maar opgehokt werd. Overal moesten infusen, omleidingen, wegwijsborden en dat soort dingen aangelegd worden. Overal moesten nog meer regels en weten en protocollen worden gemaakt.

De patiënten in het gekkenhuis voelden zich er wel bij. Voor hen werd het leven wat dragelijker. De focus van de heerschappij werd een beetje verlegd. Ze kregen door de vrije inzamelingen van de passanten bijna gratis kleding, bijna gratis voedsel en hun onderdak was toch al wel verzekerd. Dat kon de bevolking al lang niet meer zeggen.

Alsof de grenzen vervaagden van die van het gekkenhuis en de omgeving. De passanten keken, de gekken begonnen pretogen te krijgen en de bevolking keek verward. De heerschappij draaide een beetje dol. En iedere dag weer draaiden ze doller en doller.

En de passanten keken, de gekken begonnen te glimlachen en de bevolking was verward.

De bevolking werd in hun eigen huizen opgehokt, door ruimtegebrek in het gekkenhuis. De heerschappij zat eigenlijk in hun eigen gekkenhuis, maar waren niet opgesloten. De veiligheid op straat was ver te zoeken.

En de passanten keken, de gekken werden blijer en blijer en de bevolking raakte verwarder en verwarder.

Op een dag kwam er een bezoeker in het dorp en vroeg mij de weg naar het gekkenhuis.
Ik vroeg welk gekkenhuis? Er zijn er hier heel veel. Hij keek mij in de ogen en ik keek terug en we begonnen te lachen. Te lachen tot we niet meer konden. Daarna begonnen we te huilen, te huilen tot we niet meer konden.

Uiteindelijk vroeg ik wat de bezoeker nu echt wilde, de echte weg. En hij vroeg, mag ik een kop koffie bij jou drinken? Dat mocht natuurlijk, maar ik waarschuwde wel. Ik zei, ik woon ook in dit dorp en ik weet het ook niet meer. Welk gekkenhuis ben ik?

Daarop rende de bezoeker gillend weg. Ik zwaaide hem nog springend en juichend na en schreeuwde: ‘Jij bent helemaal hartstikke gek!’

Daarop keerde ik mij om en liep het eerste het beste ophok binnen en las bij het naar binnen gaan even de letters ‘isoleercel’. Ik sloot de deur zachtjes achter mij en draaide de sleutel aan de binnenkant om. Lekker rustig wel. Wat een gekkenhuis!





© 2013 ByNature@Petra 27-6-2013