De Reis door Jouw Zelf in Bewust Worden en het Her-Ontdekken en Her-Inneren wie Jij Bent in Essentie
Home » Konijntje Sabbel

Konijntje Sabbel en de Kabouterkoningin

 

Het Konijntje Sabbel verveelde zich. Ze liep de hele dag te hippen en te huppen. Snufde in holletjes van vossen en dassen en vroeg of ze mee kwamen spelen. Ze kon snuffen wat ze wilde, maar ze kwamen niet. Het was te donker, het was te licht, het was te koud, het was te warm. Er was altijd wel wat waarom ze niet wilden spelen. Het leek soms gewoon wel of ze haar niet eens wilden zien.


Konijntje Sabbel speelde daarom vaak alleen. Ze rende over touwtjes, maakte gekke foutjes, maakte stapeltjes van houtjes en zo maakte ze van alles wat. Ze deed dat dagen, weken, jaren en toen had ze geen zin meer. Ze had alles al gedaan wat ze kon doen. Ze verveelde zich. Het was gewoon tijd voor iets nieuws. Nieuwe wegen. Al had ze in het hele bos alle nieuwe wegen al weer oud gemaakt en in de verre omgeving ook. Dus tijd voor nog nieuwere wegen besloot ze maar. Maar hoe en wat.


Ze ging naar haar favoriete praatboom en begon daar wat te praten. De boom zei nooit iets terug, maar het was gewoon fijn om te denken dat de boom er voor haar was. Dat er iets of iemand is die er voor je is, dat had ze altijd wel willen hebben, maar ze wist ook dat het geen kwestie van hebben zou zijn. Het was er wel of het was er niet. Iets wat lossigs is en ook vastig tegelijk.


Ja, ok ze had zichzelf natuurlijk ook. Ze kon altijd wel fijn met zichzelf praten. Dat was het punt ook niet. Het is gewoon heel fijn als dat met iemand kan. Iemand die je kan verstaan, die naar je kan luisteren, die met je kan praten, die met je kan spelen, die met je kan lachen, die met je onder een boom kan zitten, zoals zij nu onder de boom zat te zitten.


Ze kwam in eerdere jaren allerlei dieren tegen in het bos, voorbijgangers vaak, want het was geen blijfbos gek genoeg. En al die voorbijgangers waren vaak wel aardig, maar niemand die bleef. Ze waren allemaal nog op weg. Op weg naar onbekende wegen misschien. Nieuwe wegen waren het niet, dat wist ze. Ze liepen gewoon oude wegen van oude paden van oude levens. Dat was nou eenmaal zo. Ze maakte vaak wel een praatje met zo’n voorbijganger als die langs kwam. Maar het viel haar op dat er weinig meer voorbij kwamen. Zouden die oude paden, die oude wegen voorbij zijn soms??
Ja, dan was het helemaal tijd voor nieuwe wegen! Ik heb geen zin mij nog te vervelen, dat is soms best even goed, maar het houdt ook een keertje op en dan wil je gewoon verder zat ze ineens te besluiten.


Maar waar naar toe was de vraag. Meestal gaf haar wiebelneusje het wel aan of roerde haar staartje zich. Maar er was gewoon niks van dat. Het voelde gewoonweg vreemd. Ze wilde graag, maar haar pootjes zeiden zelfs dat het niet moest. Ze begreep het niet. Ze begreep er niets van. Alsof er een rem op haar was gelegd waar ze zelf niet bij kon. Een valse strik leek het wel. En soms kon je die valse strik zelf leggen om erover te struikelen en om te ontwarren, maar dat was het gewoon niet. Het was iets anders en nogmaals ze begreep het niet.


Tot haar een lichtje begon te branden. Een lichtje dat wel vaker brandde en haar een gevoel van verdrietigheid gaf. Zat ze soms te wachten? Op die ene dus. Die ene die er voor je kon zijn. Die ene die er voor je wil zijn. En was die ene er wel? Ergens knaagde dit bij haar, want ooit was er een konijntje geweest. Een hele lieve, een hele leuke. Maar die kon het nog niet, er voor je zijn. Die kon het ook niet, er willen zijn. Die was nog aan het lopen op al die wegen. Oude wegen. Zou die ooit uitgelopen zijn? Op die oude wegen dan? Dan zouden ze nieuwe wegen kunnen maken. Samen. Dat zou leuk zijn. Eigenlijk was dat toch wel de wens van konijntje Sabbel. Een diepe wens.


Zouden wensen ooit uitkomen? Ze dacht er aan, jaar in en jaar uit. En al die jaren gingen voorbij. Meestal huppelde ze wel vrij en blij, maar soms dan was het er weer. De herinnering aan dingen. De herinnering zo sterk dat het bijna aan te raken was.


Ja, dan werd ze verdrietig. Verdrietiger dan ooit waar ze verdrietig om kon zijn. Het is gewoon fijn als je kunt gaan en doen en kunt wat je wilt, maar altijd in je alleentje is niet leuk. Zij vond het in ieder geval niet meer leuk. Misschien waren er vast wel dieren die het wel leuk vonden en daar geen last van hadden zo af en toe. En wat zij er mee moest wist ze ook niet, want als het konijntje dat ze zo leuk vond niet weer kwam, dan kon ze wel gaan zitten wachten, maar dat had geen zin, want dan zou ze zich dus nog jaren, weken en dagen vervelen en dat wilde ze niet.


Zo zat konijntje wat te praten onder haar praatboom. Zo had ze die maar genoemd. Ze moest toch wat om een beetje het idee te hebben dat ze er niet voor niets was en misschien vond de boom dat ook wel fijn dat zij daar was. Of waren dat maar gewoon haar eigen gedachten, dat kon ook, want een boom kon vast niet denken. Ze zat nog maar even een beetje stil voor zich uit te kijken en was wel blij met het mooie bos in ieder geval. Toch voelde het ook niet als haar thuis dus. Misschien dat het daarom ook een niet blijfbos was voor anderen. Had het nog zin daar over na te denken? Nee, eigenlijk niet.


Ze wilde weg. Maar niet zomaar. Niet als een vlucht voor iets, ook al voelde dat niet zo. Gewoon het gevoel dat ze iets anders moest gaan doen, maar wat? Ze piekerde en ze peinsde, maar ze wist het niet. Ze probeerde niet na te denken, maar ook dat hielp deze keer niet, het antwoord kwam niet, ze had het niet. Zou iemand haar kunnen helpen misschien? Maar wie dan? De dieren hier in het bos dus niet, die zagen haar niet, wilden haar niet of welke reden dan ook.


Ze moest wel ineens denken aan het verhaal van een voorbijganger. Die vertelde eens over de KabouterKoningin, die heel wijs zou zijn en waar velen naar toe gingen om vragen te stellen als ze het echt niet meer wisten. Misschien moest ze dat dan maar doen. Geen idee waar de KabouterKoningin woonde, maar daar zou ze vast wel achter komen. Ze moest nu alleen eens goed nadenken over de vraag die ze eigenlijk wilde stellen, want ook die wist ze niet precies.


Of eigenlijk wist ze die wel. De vraag is wat ze hier eigenlijk moest doen, alleen op de wereld met haar eigen wereld en verder geen dieren om haar heen waar het gezellig mee was. Niet iedere dag, maar wel af en toe en waarom er niet nog een konijntje was met wie ze het ook gezellig zou kunnen hebben. Ja, dat was toch wel de vraag. En gewoon wat er mis met haar was, want daar leek het toch wel op dat dat zo was. Maar aan de andere kant .. ze was er toch, dus dan is ze er toch niet voor niks? En wat is er dan mis? Dit waren wel weer heel veel vragen, zou ze die wel kunnen stellen dan? Waren dit dan toch de vragen van de valse strik misschien? Ze wist het echt niet meer. Eenzaam en verlaten, dat voelde ze zich. Ze zocht maar een holletje in de grond en ging daar haar tranen laten stromen. Dat had ze ook al lang niet meer gedaan, was wel even fijn om te doen. En ze knuffelde zichzelf maar even heel goed.


De volgende dag ging ze op pad. Op zoek naar de KabouterKoningin. Ze vroeg wat rond her en der en sommigen wilden niks zeggen of wisten het niet, maar anderen wezen toch een beetje de weg. Ze huppelde dagen rond met een aanwijzing hier en daar en toen kwam ze in een heel ander bos dan ze ooit geweest was. Een beetje raar, want ze was echt wel eens zover geweest, maar dit had ze nooit eerder gezien. Misschien kon dat ook pas als je echt een vraag had voor de KabouterKoningin, want dit was wel zeker haar bos. Die had ze wel in de gaten.


Ze verzamelde onderweg wat noten om aan de KabouterKoningin te geven, gewoon omdat ze dat fijn vond om te doen. Ze had ook aan bloemen gedacht, maar die stonden zo mooi te bloeien, als ze die zou plukken waren ze al dood voor ze ze weg kon geven. Dat vond ze een beetje jammer van de bloemen en ook niet leuk voor de KabouterKoningin.


Na een tijdje ronddwalen in het onbekende, maar prachtige levende bos, kwam ze bij een open plek met een hele grote boom. Het was er versierd met de prachtigste dingen gemaakt uit het bos. Kleine takjes, blaadjes, mosjes, bloemen, en zoveel meer. Allemaal kleine eilandjes van mooie dingen die overal stonden. Bij de grote boom zag ze een hele grote paddestoel staan. Groter dan welke paddestoel ze ooit had gezien. Ze zag ook een deurtje erin en ze klopte maar eens aan, want dit leek haar de plek wel waar de KabouterKoningin te vinden was.


En ja hoor, het deurtje ging open en er kwam een vriendelijk kijkende kabouterdame met een kroontje op haar hoofd naar buiten. Eerbiedig deed konijntje Sabbel een stap naar achteren en ging op haar achterpoten zitten.


'Welkom lieve gast, wat brengt jou hier bij mij?' sprak de KabouterKoningin.?
Konijntje Sabbel werd een beetje verlegen en wist niet goed waar ze moest beginnen, maar de KabouterKoningin leek echt heel aardig en bereid om echt te luisteren. Dus toen begon ze maar. 'Ik weet niet goed hoe ik het moet zeggen, daarom is het niet één vraag, maar misschien wel een heleboel tegelijk, en ik wil graag wat uitleggen, mag dat?' vroeg ze eerst.


De KabouterKoningin ging op een stronkje zitten en zei: 'Dit lijkt me heel serieus en je komt hier niet zomaar, dus vertel maar rustig. En dan hoor ik de vragen ook wel.'?
Dit stelde konijntje Sabbel gerust en ze begon te vertellen over alle jaren. Hoe die waren gegaan en hoe het was. En uiteindelijk stelde ze haar vragen allemaal en als laatste de vraag 'Wie ben ik nou en wat kan ik nou doen, want ik kan zo toch echt niet meer verder, ik vind het gewoon echt niet leuk meer'.


De KabouterKoningin had fijn geluisterd, dat zag ze wel. En ze had het gevoel dat ze het helemaal begreep. Alsof zij haar zag. Niet zomaar een beetje, maar echt helemaal. De KabouterKoningin zat ook te knikken tussendoor, was aandachtig naar haar toe. En toen ze klaar was met vertellen zuchte ze ook een zucht en ze zag een traan van medeleven. En die ene traan, die was fijn. Niet omdat het om te huilen was, maar omdat ze het begreep.


Toen kwam de KabouterKoningin naar haar toe en gaf haar een aai over haar neus met een kus erop. 'Je bent een lieverd, dat zie ik zo ook wel. En ik begrijp je verhaal. En het klinkt ook echt niet fijn, sterker nog, het is niet fijn. Maar lief konijntje Sabbel, ik kan je wel een beetje vertellen hoe het komt. Maar dan moet je beloven niet te schrikken. Kun je dat proberen?' vroeg de KabouterKoningin.


Dat kon konijntje Sabbel wel beloven, ook al kreeg ze er een beetje buikpijn van en vond ze het wel eng om te horen wat de KabouterKoningin had te vertellen. Maar ze was niet voor niks hier gekomen, het was te belangrijk, dus ze vertelde dat ze graag wilde horen wat de KabouterKoningin haar had te vertellen.


'Goed', zei de KabouterKoningin, 'Ten eerste ben jij niet konijntje Sabbel. Dat klinkt misschien gek, maar zo is het wel. Jij denkt dat je een konijntje bent en gedraagt je ook wel zo. En ergens ben je in je hart dat ook wel. Lief, huppelig en aaierig. Ik zie ook wel dat jij zo bent, maar de rest ziet alleen iets anders. Een heel ander dier en dat is een grote sterke tijger, wat vind je daar nou van?' Konijntje Sabbel wist niet goed wat ze moest zeggen en zei daarom niks. Ze bekeek haar poten en dacht wel even ja die andere konijnen zagen er misschien ook wel anders uit en misschien gingen ze daarom op de vlucht. Daarop keek ze weer naar de KabouterKoningin. Met nog meer vragen in haar ogen.


'Maar een echte tijger ben je ook weer niet. Daarvoor ben je teveel konijntje. Je bent niet de één en je bent niet de ander. Je bent wel jezelf en dat is een hele moeilijke. Jij bent zo anders dan de meeste dieren, ze herkennen je niet. Ze snappen niet wie je bent. Je brengt ze in verwarring en daar zijn ze bang voor. En dan willen ze dus niet met je spelen, want jij bent veel te groot. Stel je voor die dassen en die vossen en dan een tijgerbeest! Laten we het over de muizen niet eens hebben en ook die medekonijntjes niet. Al doe jij aardig, ze geloven je niet, want jij bent een tijger!


En andere tijgers kom je dus niet tegen in het bos waar jij woont. Jouw tijgersoort is er één die ook niet veel voorkomt. Dat is de moeilijkheid. De meeste tijgers die de dieren kennen zijn tijgers die anderen opeten, maar zoals ik al heb gezien eet jij alleen maar worteltjes en ander groen. Dat zie ik aan je tanden en aan je poten. Jij doet niks kwaad, maar lijkt het wel, omdat dat het beeld van een tijger geeft. En helaas lieverd, daar kan jij niks aan doen. Dat is nou eenmaal zo. Je hebt zoveel geprobeerd en het is niet je gelukt. En het zal je niet lukken ook op deze manier. En dat vind ik heel heel erg voor je. Wat je kunt doen is andere tijgers opzoeken van jouw soort. Die zullen heel blij met je zijn. Dan voel jij je eindelijk op je plek. Het enige wat je kunt doen.


En dan ondertussen oppassen voor de andere tijgers en die dieren die de strijd aangaan met tijgers. Gelukkig was je daarom nog in het bos waar niemand blijft. Had je daar ook niet zoveel last van. Maar je moet wel heel erg goed opletten. En de wens van dat andere konijntje begrijp ik ook wel, nou ja andere tijger zoals jij dan. Het is namelijk beter om samen op pad te gaan als je een tijger bent zoals jij. Dat is een stuk veiliger. Maar hoe die tijger te vinden is weer wat anders. Want zoals ik zeg, er zijn er niet zoveel. Misschien dat dat ene konijntje van toen toch ook wel een tijger is, maar dat kan ik je zo niet zeggen. Dat zou alleen jij moeten weten. En of dat er eentje van de juiste soort is ook.'


De KabouterKoningin zuchte ervan na dit relaas en ze pinkte ook een traantje weg, want konijntje Sabbel liet er een heleboel stromen. Konijntje Sabbel begreep eindelijk waar haar verdriet vandaan kwam. Dat wel, maar moest daarom nog meer huilen. Want wat nu? En ze wist ook dat de KabouterKoningin geen antwoord op die vraag had.


Konijntje Sabbel droogde haar tranen, knuffelde met haar neus de KabouterKoningin, omdat ze dat nu wel durfde en voelde dat het goed was. De KabouterKoningin moest ook wel een beetje lachen en vond het heerlijk. Daarna merkte konijntje Sabbel dat ze de noten nog bij zich had voor de KabouterKoningin en toen ze nogmaals bedankte voor het luisteren en de antwoorden gaf ze ook de noten aan haar. De KabouterKoningin was daar blij mee en ook zij dankte konijntje Sabbel voor haar komst, omdat ook zij het prettig vond om iets voor konijntje Sabbel te kunnen doen.


Konijntje Sabbel zwaaide met haar staartje, die eigenlijk een tijgerstaart was, maar daar trok ze zich niks van aan. Zij was gewoon konijntje Sabbel met toevallig een tijgervel. Ze begreep het nu wel allemaal waarom de dingen gingen zoals ze gingen. En dat dat gewoon zo was als het was. Daar kon ze wat mee, in ieder geval vrede mee hebben.


Hoe het dan nu verder moest, dat was de vraag. Hoe kon ze met andere konijntjes in contact komen die er uit zagen als een tijger. Misschien maakten ze wel een soort geluid dat ze elkaar konden horen. Daar zou ze dan maar eens mee beginnen. Met dat geluid. Dan kon ze daarna weer verder kijken of er wat gebeurde en wat er dan gebeurde.


En zo ging konijntje Sabbel toch weer terug naar het bos waar ze woonde tot zolang ze daar woonde. Weer een stukje wijzer.

 

 


ByNature@Petra 23-1-2013